/ Opstellen Samenlevingscontract

Opstellen Samenlevingscontract

Het ongehuwd samenwonen met of zonder samenlevingscontract

Het ongehuwd samenwonen heeft in de Nederlandse wetgeving geen wettelijke basis.

Maar mondjesmaat zijn er in het burgerlijk recht bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het ongehuwd samenwonen. Dit is anders in de belastingwetgeving.

Het al dan niet ongehuwd samenwonen kan voor de Inkomstenbelasting of de Successiewet gevolgen hebben. Daarbij kan een samenlevingscontract een noodzakelijke voorwaarde zijn.

Gevolgen voor de inkomstenbelasting

Ongehuwd samenwonenden kunnen voor de inkomstenbelasting voor een fiscaal partnerschap kiezen. Zij moeten dan voldoen aan 3 voorwaarden.

  1. de partners moeten beiden meerderjarig zijn

  2. bij een ouder en kind moeten beiden 27 jaar of ouder zijn bij de aanvang van het kalenderjaar

  3. de partners moeten meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding hebben in hetzelfde kalenderjaar

  4. de partners moeten op hetzelfde adres zijn ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente.

Fiscaal partners voor de inkomstenbelasting kunnen jaarlijks kiezen voor het fiscaal zo gunstig mogelijk toedelen van bepaalde vermogensbestanddelen, zoals

- De rendementsgrondslag van box 3

- De gemeenschappelijke inkomensbestanddelen te weten

de belastbare inkomsten uit eigen woning,

inkomsten uit aanmerkelijk belang,

persoonsgebonden aftrekposten in het kader van alimentatie en

aftrekbare giften.

Het is dus niet mogelijk een keuze uit te brengen ten aanzien van inkomsten uit arbeid.

Gevolgen voor de successiebelasting

Voor de Successiewet worden samenwonenden onder omstandigheden gelijk gesteld met gehuwden. Deze gelijkstelling geldt onder meer voor de vrijstelling in het kader van het van elkaar erven. Een samenlevingsovereenkomst kan deze gelijkstelling versnellen.

Voor de berekening van het successierecht is een partner:

a. een niet van tafel en bed gescheiden echtgenote/geregistreerd partner

b. een fiscaal partner

c. een samenwoner

 

Fiscaal partner

 

Een ongehuwde samenwoner dient aan de volgende eisen te voldoen om te worden aangemerkt als fiscaal partner voor de Successiewet

  1. er dient een notarieel samenlevingscontract te zijn opgemaakt met de overledene

  2. in de notariële akte dient een verzorgingsclausule te zijn opgenomen

  3. de overledene en de partner dienen beiden ouder dan 18 jaar te zijn

  4. de overledene en de partner dienen langer dan 6 maanden te zijn ingeschreven bij de gemeente op hetzelfde woonadres

  5. in de aangifte IB dient te worden aangegeven dat wordt samengewoond.

  6. een fiscaal partnerschap is niet mogelijk tussen ouders en kinderen en bloedverwanten in de rechte lijn

Wordt aan deze eisen voldaan dan geldt ondermeer ten aanzien van tarief en vrijstelling een gelijkstelling met gehuwden.

Een samenwoner met een samenlevingscontract wordt onder omstandigheden gelijk gesteld met een gehuwden voor het tarief en de vrijstelling in de Successiewetgeving.

Het is dus raadzaam om daarvoor een samenlevingscontract op te laten stellen bij de notaris.

Samenwoner

Een samenwoner dient voor de Successiewet te voldoen aan de volgende eisen

a. de overledene en de partner dienen beiden ouder te zijn dan 23 jaar

b. de overledene en de partner dienen beiden op hetzelfde adres te zijn ingeschreven.

Een langstlevende echtgenoot heeft voor de Successiewet een zeer hoge vrijstelling.

De totale vrijstelling bedraagt euro 532.570 (bedragen 2009), maar de vrijstelling wordt verminderd met de gekapitaliseerde waarde van pensioenen.

Samenwoners die korter dan vijf jaar samenwonen en geen samenlevingscontract hebben, hebben een kleinere vrijstelling. Deze vrijstelling loopt op naarmate de samenwoning langer duurt.

Bedragen 2009

2 jaar samenwonen euro 106.510

3 jaar samenwonen euro 159.769

4 jaar samenwonen euro 213.026

5 jaar samenwonen euro 532.570

Om versneld in aanmerking te komen voor de grote vrijstelling is het dus zinvol een samenlevingscontract op te laten maken.

Er zijn plannen vanuit de regering om het begrip partner in de verschillende belastingwetten te uniformeren. Deze plannen zijn thans reeds in een vergevorderd stadium en treden naar alle waarschijnlijkheid per 1 januari 2010 in werking.

Een van de gevolgen hiervan zou zijn dat om in aanmerking te komen voor het zo gunstig mogelijk toedelen van bepaalde bestanddelen in de inkomstenbelasting een notarieel samenlevingscontract vereist is.

 

Het samenlevingscontract.

Het samenlevingscontract heeft tot doel duidelijkheid te geven zoals het Burgerlijk wetboek dit doet tan aanzien van gehuwden.

 

Daarnaast wordt een samenlevingscontract in allerlei wettelijke regelingen als voorwaarde gesteld om in aanmerking te komen voor bepaalde faciliteiten.

Dit betekent dat een samenlevingscontract regels bevat over:

  1. de kosten van de huishouding

  2. de eigendom van de goederen

  3. de onderliggende geldstromen

  4. het einde van het contract

  5. eventueel aanvullende afspraken zijn mogelijk op het gebied van:

  1. alimentatie

  2. wie mag in het huis blijven wonen bij het einde van het contract

  3. een verrekening van inkomen ontstaan tijdens de relatie met eventueel een eindafrekening bij het einde van het contract

4. eindafrekenbedingen, bijvoorbeeld in het kader van de eigen woning, dat de waardestijging van de woning of waardedaling van de woning vanaf een bepaalde datum of vanaf een bepaald bedrag worden gedeeld.

 

 

a. De kosten van de huishouding

De wet bevat ten aanzien van de gehuwdensituatie de regeling dat de kosten van de huishouding worden betaald naar evenredigheid van inkomen. Tevens bevat de wet een definitie van het begrip inkomen. Ook bevat de wet een regeling wat er dient te gebeuren als dit inkomen bij gehuwden ontoereikend is. Dan dient er bijgepast te worden vanuit ieders vermogen, daarbij gaat het gemeenschappelijk vermogen voor op ieders eigen vermogen..

Bij ongehuwd samenwonenden is het raadzaam afspraken te maken over de betaling van de kosten van de huishouding.

Het hebben van een gemeenschappelijke huishouding brengt logischerwijze met zich mee dat deze kosten door beide partners gedragen en betaald zullen moeten worden.

Meestal wordt aansluiting gezocht bij de gehuwdensituatie.

Dit betekent dat de kosten van de huishouding gedragen worden naar evenredigheid van inkomen. Inkomen is daarbij grofweg het inkomen uit arbeid en eventuele winst uit onderneming.

Indien een van de partners geen inkomen heeft, zullen de kosten van de huishouding gedragen worden door de partner die wel inkomen geniet.

Omdat partners die ongehuwd samenwonen geen gemeenschappelijk inkomen hebben, is inkomen hierbij de optelsom van ieders eigen inkomen. Naar evenredigheid van inkomen wil dan ook zeggen dat ieder vanuit zijn eigen inkomen zijn steentje bijdraagt, door te storten op de en/of rekening (de gemeenschappelijke rekening).

Vanzelfsprekend is het mogelijk om af te wijken van de regel dat de kosten worden gedragen naar evenredigheid van inkomen. Hieraan kunnen echter diverse haken en ogen zitten. Een goed advies is hierbij onontbeerlijk. Laat u hierbij adviseren. Tineke Groot notaris te Oisterwijk kan u daarbij helpen.

Het is raadzaam het bedrag dat gereserveerd wordt voor de kosten van de huishouding te storten op een gemeenschappelijke rekening, de zogenaamde en/of rekening. Het is raadzaam deze rekening dan ook alleen te gebruiken voor de betaling van de kosten van de huishouding.

Indien dit niet gebeurt, en er van de en/of rekening ook privé aankopen worden betaald, ontstaat een verrekenplicht. Vanuit de privé rekening dient voor deze privé aankoop de en/of rekening nog te worden gecompenseerd. In juridisch vakjargon er ontstaat een vordering vanuit de en/of rekening op de partner die de privé aankoop met gemeenschappelijk geld heeft betaald.

Omdat de praktijk en theorie hier vaak van elkaar afwijken, met andere woorden, vaak wordt vergeten deze compensatie toe te passen, heeft dit tot gevolg dat bij het einde van de relatie er nog allerlei bedragen met elkaar dienen te worden verrekend. Het is te begrijpen dat hier vaak niet of nauwelijks nog uit te komen is.

Het is dan ook raadzaam het afgesproken betalingssysteem zo zuiver mogelijk te houden, met andere woorden aankopen te betalen vanaf die betaalrekening, die daarvoor bedoeld is.

 

Wat valt onder de kosten van de huishouding.

Onder de kosten van de huishouding vallen de gebruikelijke uitgaven voor de eerste levensbehoeften. Omdat een samenlevingscontract geen wettelijke basis heeft, is het begrip kosten van de huishouding in het kader van ongehuwd samenwonen nergens gedefinieerd. Om onduidelijkheid te voorkomen, wordt in het samenlevingscontract een omschrijving, definitie, gegeven van dit begrip.

Het is duidelijk dat onder de kosten van de huishouding allereerst de eerste levensbehoeften vallen, kosten van gas, water, licht, eten en drinken.

Tevens vallen daaronder de kosten van de woning, te weten rente in het kader van hypotheekschulden en eventueel aflossingsverplichtingen.

Ook kosten van de gezamenlijke vakanties vallen daaronder en eventueel kosten van aanschaf van inboedel en kosten voor aanschaf van de gezamenlijke gezinsauto.

Het is belangrijk na te denken wat er in uw situatie onder het begrip kosten van de huishouding dient te vallen.

Daarbij dient u wel te bedenken dat het begrip kosten van de huishouding verschillend kan zijn per situatie.

Met andere woorden indien u iedere week een bloemetje koopt op de markt, of ieder weekend een terrasje pikt en uit eten gaat, valt dit onder het begrip kosten van de huishouding. Als het iedere week uit eten gaan, uw budget te boven gaat, is het nog maar de vraag of dit dan in uw persoonlijke situatie tot de kosten van de huishouding gerekend mag worden.

Naar evenredigheid van inkomen.

Zoals gezegd de kosten van de huishouding worden gedragen naar evenredigheid van inkomen. Inkomen is daarbij een netto begrip. Het bruto inkomen na belasting en premies.

Het begrip inkomen

Het is belangrijk dat in het samenlevingscontract een omschrijving wordt gegeven van het begrip inkomen, om onduidelijkheid te voorkomen.

Onder inkomen valt globaal het inkomen uit arbeid en eventueel winst uit onderneming.

Bij winst uit onderneming is het raadzaam te omschrijven dat daaronder alleen valt de normale jaarlijkse winst, en dus niet de winst behaald bij de einde van het bedrijf.

Het is ook mogelijk onder het inkomensbegrip tevens inkomsten uit vermogen te laten vallen, te weten rente en dividenden.

Wat indien het inkomen ontoereikend is?

Indien het inkomen ontoereikend is wordt meestal door ieder van de partners bijgepast naar evenredigheid van vermogen.

Omdat er geen in beginsel geen gemeenschappelijk vermogen is tussen de partners, betekent dit concreet dat ieder uit zijn privé vermogen moet bijbetalen.

Wat als er niet betaald is conform de verdeelsleutel

Indien u niet betaald heeft naar evenredigheid van inkomen, terwijl dit wel is afgesproken, ontstaat er een vordering vanuit de en/of rekening naar de partner in privé, die te weinig betaald heeft. Deze vordering ontstaat meteen en dient ook terstond te worden voldaan, tenzij dit niet mogelijk blijkt. In vakjargon heet dit: het innen van de vordering is in strijd met de redelijkheid en de billijkheid.

Het is erg belangrijk om deze vorderingen/schulden, zeker als het om grotere bedragen gaat, vast te leggen.

Het is duidelijk dat het na verloop van tijd onbegonnen werk is om al deze geldstromen, die niet conform de afspraken zoals in het samenlevingscontract zijn neergelegd, gelopen zijn, achteraf in kaart te brengen.

De vorderingen en schulden zullen dan bij gebrek aan bewijs niet inbaar zijn. Met name bij het einde van de samenwoning kan dit problemen opleveren.

De eigendom van de goederen

De gemeenschappelijke woning.

De woning in huur

Ongehuwd samenwonenden kunnen gaan samenwonen in een huurwoning.

Daarbij is het in het kader van bescherming van elkaar belangrijk dat het huurcontract zoveel mogelijk op beider naam staat.

Het enkele feit dat men met iemand gaat samenwonen, levert nog geen woonrecht op.

In een samenlevingsovereenkomst kunnen daarover wel tussen de samenwonende partners afspraken worden gemaakt. Een huurder is daaraan vanzelfsprekend niet gebonden.

Indien de huurovereenkomst niet op beider naam staat, kan na een termijn van drie jaar via de rechter verzocht worden om beiden als huurder te worden aangemerkt.

Een echtgenoot van een huurder is automatisch medehuurder. Bij ongehuwd samenwonenden is dit niet zo.

Een medehuurder heeft huurbescherming en alle overige rechten en plichten verbonden aan het huurrecht. De medehuurder is dus tevens verantwoordelijk voor het betalen van de huur. Als een overeenkomst tussen de huurder en de verhuurder eindigt wordt de medehuurder automatisch huurder.

Als u samenwoont en een gemeenschappelijke huishouding voert met de huurder, en in het verhuurde uw hoofdverblijf heeft, kunt u de verhuurder verzoeken u aan te merken als medehuurder. Als de verhuurder u niet als medehuurder wenst aan te merken, kunt u zich vervolgens tot de kantonrechter wenden met het verzoek u aan te willen merken als medehuurder.

De kantonrechter kan dit verzoek slechts om 3 redenen afwijzen:

  1. als u nog geen twee jaar in de woning uw hoofdverblijf heeft;

  2. als het verzoek om medehuurder te worden ten doel heeft om huurder te worden (omdat het bijvoorbeeld van meet af aan duidelijk is dat de "hoofd"huurder op korte termijn zal vertrekken);

  3. indien u financieel onvoldoende waarborg biedt, met andere woorden het is duidelijk dat u alleen de huur niet zult kunnen betalen.

 

De woning in eigendom

Indien de gemeenschappelijke woning eigendom is, zijn de volgende situaties denkbaar.

1.De woning is eigendom van een van de partners,

2. De woning is eigendom van beide partners.

De woning is eigendom van een van de partners

Indien de woning eigendom is van een van de partners, zal deze partner eigenaar slechts delen in de waardestijging of waardedaling van de woning. Afwijkende afspraken zijn echter mogelijk in een samenlevingscontract, bijvoorbeeld in die zin dat vanaf een bepaalde datum of vanaf een bepaalde waarde de andere partner meedeelt in de waardestijging of waardedaling van de gemeenschappelijk bewoonde woning.

Dat de woning eigendom is van een van de partners komt met name voor indien de ene partner bij de ander intrekt, terwijl deze al een eigen woning bezat.

Het is dan belangrijk goed na te denken over de situatie het einde van de samenwoning door overlijden of uit elkaar gaan.

De waardestijging en waardedaling van de woning komt alleen ten goede aan de eigenaar-partner en niet aan de niet eigenaar -andere partner.

Met name indien deze niet eigenaar partner uit eigen middelen gaat investeren in de woning, is het raadzaam na te denken over afspraken met betrekking tot het meedelen in de waardestijging/waardedaling van de woning, vanaf de datum van investering van de eigen gelden in de woning.

Bij dit investeren kan worden gedacht aan het financieren van een verbouwing door de eigenaar/niet partner maar ook aan het substantieel mee betalen aan de hypothecaire geldlening voor wat betreft de aflossingsverplichting.

Belangrijk is te realiseren dat indien geïnvesteerd wordt met eigen middelen in de woning door de partner niet eigenaar, deze volgens de hoofdregels van het burgerlijk recht slechts recht heeft op het door hem van aanvang af geïnvesteerde eigen bedrag, al dan niet met een rentevergoeding.

Omdat het in het kader van een samenlevingsrelatie is het niet gebruikelijk om rente te vragen aan de andere partner, ontstaat het probleem dat bij het einde van de relatie de partner eigenaar van de woning wel geprofiteerd heeft van de waardestijging van de woning, door de verbouwing, welke heeft geleid tot een waardestijging, en de partner niet eigenaar niet. Deze laatste heeft alleen recht op terugbetaling van het door hem/haar geïnvesteerde bedrag.

De woning is eigendom van de beide partners

Indien de woning eigendom is van beide partners, delen deze conform de eigendomsverhouding in de waardestijging en waardedaling.

Daarbij is het meest voor de hand liggend dat de woning ieder voor 50% in eigendom toebehoort. Ieder van de partners deelt dan gezamenlijk in de waardestijging en waardedaling.

Het is evenwel mogelijk dat de investeringen van de beide partners uit eigen middelen, niet in diezelfde verhouding liggen.

Dan ontstaat voor het verschil in inbreng een vordering of schuldverhouding.

Het is belangrijk om deze vordering/schuldverhouding goed in kaart te brengen en vast te leggen. Bij het einde van de relatie zal deze immers verrekend moeten worden bij de verdeling van de woning.

Gevolgen voor de overdrachtsbelasting

Indien de woning eigendom is van een van de partners en in het kader van het beëindigen van de relatie afgesproken wordt dat deze woning zal toekomen aan de andere partner, is deze

transactie voor de overdrachtsbelasting volledig belast. Belast is de waarde van de woning ten tijde van het einde van de samenwoning naar een percentage van 6%..

Indien de woning van meet af aan eigendom is van beide partners geldt voor de overdrachtsbelasting het volgende.

Grofweg bestaat voor de overdrachtsbelasting er een vrijstelling bij een toedeling in het kader van het einde van de samenwoning voor de gemeenschappelijke woning, indien de woning in de maximale verhouding 40-60 is aangekocht.

Dit betekent dus dat een eigendomsverhouding van 45%-55% of 50%-50% ook toelaatbaar is. Elke eigendomsverhouding is toelaatbaar voor zover zij zich maar binnen de grenzen van de 40% en 60% beweegt.

In al die gevallen is bij het einde van de samenwoning door uit elkaar gaan toedeling van de woning aan een van de partners, tegen uitkoop van de andere partner in geld of goederen niet belast met overdrachtsbelasting, mits de partners de woning gemeenschappelijk hebben aangekocht.

De kosten van de woning.

De kosten van de renteverplichtingen voortvloeiende uit de hypotheek zullen behoren tot de kosten van de huishouding.

Voor de huur geldt hetzelfde.

Ook de kosten van klein gebruikelijk onderhoud aan de woning zullen behoren tot de kosten van de huishouding.

Voor groot onderhoud wordt het begrip eigenaar wel van belang. Dit geldt ook voor de aflossingsverplichtingen.

De kosten van groot onderhoud zijn niet te brengen onder de noemer kosten van de huishouding. De aflossingsverplichtingen in beginsel ook niet, tenzij de woning toebehoort aan de beide partners.

Gevolgen voor overlijden.

Indien de woning eigendom is van slechts een van de partners, zal een aparte voorziening moeten worden getroffen.

Indien het de bedoeling is dat bij overlijden de langstlevende partner in de woning kan blijven wonen, zal, indien de woning eigendom is van een van de partners, bijvoorbeeld door middel van een testament voor deze langstlevende partner een voorziening moeten worden getroffen, zodat deze na overlijden nog in de woning kan blijven wonen.

Indien de woning eigendom is van beide partners en er geen sprake van een groot leeftijdsverschil tussen beide partners kan door middel van een verblijvingsbeding in het samenlevingscontract een regeling worden getroffen voor de langstlevende partner.

Dit verblijvingsbeding houdt grofweg in dat bij overlijden de gemeenschappelijke woning toekomt aan de langstlevende partner, onder de verplichting voor deze om de gemeenschappelijke schulden van die woning voor zijn/haar rekening te nemen.

Een apart testament is dan meestal niet noodzakelijk.

Tineke Groot notaris te Oisterwijk kan u hierbij adviseren.

Een essentiële voorwaarden voor het werken van een dergelijke afspraak is dat de woning wel gemeenschappelijk eigendom is. Voor verder informatie verwijs ik u naar de rubriek testament

De eigendom van de overige goederen

Bij het einde van de samenwoning kunnen er geschillen ontstaan over de inboedelgoederen. Het is daarom van belang vast te stellen wie eigenaar is van welke inboedel. Omdat dit maar een momentopname is en inboedel onderhevig is aan slijtage zal dit wel steeds moeten worden bijgehouden, dit kan bijvoorbeeld door een en ander duidelijk te omschrijven op een lijst van aangebrachte inboedelgoederen, welke lijst dus ook periodiek moet worden herzien.

Volgens de wet is eigenaar degene aan wie de inboedel is geleverd. Meestal is dit ook degene die de inboedel heeft betaald. Soms is niet duidelijk wie eigenaar is van wat.

Meestal is het dan redelijk ervan uit te gaan dat beide partners eigenaar zijn van de helft. Afwijkende afspraken zijn echter mogelijk. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat de ene partner bij de andere partner is ingetrokken.

Indien er voor wordt gekozen om de inboedel gespecificeerd vast te leggen op lijsten worden deze lijsten meestal aan het samenlevingscontract gehecht en door beide partner ondertekend. Zij scheppen daarmee bewijs tussen partijen.

Omdat de lijst bedoeld is als bewijs te dienen in geval van geschil tussen de partners is het erg belangrijk dat de inboedel goed omschreven wordt, zo mogelijk met vermelding van merk, serienummer enzovoort.

Om problemen te voorkomen kan het dus raadzaam zijn een administratie bij te houden waaruit de eigendom van de inboedel te herleiden is, in de vorm van kassabonnen, aankoopfacturen en bankafschriften. Deze kunnen in geval van geschil goede diensten bewijzen.

Bank en girorekeningen

Bank en girotegoeden zijn eigendom van degene op wiens naam de betreffende rekening is gesteld. Vaak hebben partners die ongehuwd samenwonen naast bankrekeningen op eigen naam tevens een of meerdere zogenaamde en/of rekeningen. Van deze rekening worden vaak de kosten van de huishouding betaald. In een samenlevingscontract worden vaak afspraken gemaakt dat in geval van een geschil het tegoed op de huishoudrekening beide partijen voor de helft toebehoort.

Formeel juridisch is het feit dat een rekening een en/of rekening is geen waterdichte garantie dat het tegoed ook daadwerkelijk aan beide partners toebehoort. De kwalificatie en/of verwijst naar de mogelijkheid wie van de partners over de banktegoeden kan beschikken, te weten beide partners, en elke partner afzonderlijk.

Het tegoed op de en/of rekening komt dan ook in beginsel toe aan de echtgenoot die het betreffende bedrag gestort heeft, behoudens andersluidende afspraken tussen de echtgenoten.

Het einde van de samenlevingsovereenkomst

Een samenlevingscontract wordt aangegaan voor de periode zolang de samenwoning duurt, ofwel in vakjargon voor onbepaalde tijd.

Toch wordt om onduidelijkheid te voorkomen, in het samenlevingscontract melding gemaakt van hoe het samenlevingscontract eindigt

Dit kan op de volgende manieren

  1. door overlijden

  2. door feitelijk uit elkaar gaan en op een apart adres te gaan wonen

  3. door een huwelijk of een geregistreerd partnerschap

  4. door opzegging.

De wijze van eindigen van het samenlevingscontract zoals omschreven onder a en b behoeven nauwelijks toelichting. Wel toelichting behoeven c en d.

Een samenlevingscontract eindigt door een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Concreet betekent dit dat de samenwoning niet eindigt maar dat de samenwoning in een gehuwde vorm of door middel van een geregistreerd partnerschap voortduurt. Omdat de wet haar eigen regels kent voor een huwelijk, algehele gemeenschap van goederen, tenzij er gekozen wordt voor huwelijkse voorwaarden, en tevens haar eigen regels voor een geregistreerd partnerschap, te weten algehele gemeenschap van goederen of partnerschapvoorwaarden, vervallen daarmee de afspraken, zoals in het samenlevingscontract gemaakt. Met andere woorden. Het samenlevingscontract werkt niet door als een soort huwelijkse voorwaarden of partnerschapvoorwaarden. Indien de partners geen of maar een beperkt gemeenschappelijk vermogen wensen in hun huwelijkse situatie of de situatie van geregistreerd partnerschap zullen zij opnieuw naar de notaris moeten om hun afspraken vast te leggen. Dit dient te gebeuren voordat het huwelijk of partnerschap gesloten is.

Het klinkt vreemd dat een samenlevingscontract door opzegging van een van de partners kan worden beëindigd.

Toch is dit niet zo vreemd als men bedenkt dat het ander onmogelijk zou worden om eenzijdig het contract te verbreken. In de huwelijkse situatie heeft de wetgever daarvoor de echtscheiding in het leven geroepen. Eenzijdig kan het huwelijk verbroken worden door een verzoek tot echtscheiding bij de rechter aanhangig te maken.

Omdat een van de hoofdregels in het contractenrecht is dat overeenkomsten slechts met onderling goedvinden kunnen worden beëindigd zou hier een probleem ontstaan indien een van de partners de samenwoning zou willen beëindigen en de andere niet.

De mogelijkheid van opzegging biedt dan soelaas.

 

Overlijden

Indien de samenwoning eindigt door overlijden spelen een aantal zaken een rol.

Hieronder wordt ingegaan op verkrijgingen in het kader van een verblijvingsbeding.

Voor het overige verwijs ik u daarvoor naar de rubriek erven en testamenten op deze website.

Uit elkaar gaan

Indien de samenwoning eindigt door het feitelijk verbreken van de relatie zal tussen de partners de balans moeten worden opgemaakt en zal het gemeenschappelijk vermogen moeten worden verdeeld. Ieders privé vermogen voor zover aantoonbaar behoeft vanzelfsprekend niet te worden verdeeld. Wel is het mogelijk dat er in het kader van het einde van de relatie nog verrekeningen die nog tussen de partners moeten plaatsvinden. Daarbij valt te denken aan verrekeningen op grond van afspraken in het kader van het jaarlijks verrekenen van de inkomsten, maar ook verrekeningen in het kader van privé investeringen door een van de partners in het gemeenschappelijk vermogen.

Het mag duidelijk zijn dat een goede administratie hier erg belangrijk is.

Zonder deze administratie is het vaak onmogelijk om alle geldstromen tussen de partners en de daaruit voortvloeiende verrekeningen goed in beeld te brengen.

Ook de inboedellijsten, de bewaarde kassabonnen van aankopen, aankoopfacturen en bankafschriften kunnen dan hun nut bewijzen.

 

Verdeling

Indien de samenwoning wordt beëindigd door uit elkaar gaan zal het gemeenschappelijk vermogen tussen de partners moeten worden verdeeld.

Naast inboedel behoort hiertoe tevens de gemeenschappelijke woning, voorzover beide partners daarvan eigenaar waren.

Ook een verdeling ter uitvoering van afspraken in het samenlevingscontract over een verrekening van meerwaarde van de woning valt hier echter onder. Zie hiervoor nader onder AANVULLENDE REGELINGEN.

 

VERDELING VAN DE WONING.

Omdat de verdeling van de eigen woning in het kader van het uiteengaan in een samenwoningsrelatie of in het kader van een echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap niet of nauwelijks van elkaar verschilt, is hieraan een aparte rubriek gewijd op de WEBSITE. Uitgebreide informatie kunt u vinden onder de rubriek VERDELINGEN.

 

 

Geschillenregeling

Indien er tussen de partners geschillen ontstaan, zou dit kunnen leiden tot lange gerechtelijke procedures. Omdat meestal geen van de partners daarmee gebaat is, wordt in een samenlevingscontract meestal een geschillenregeling opgenomen.

 

Partnerpensioen

Een partnerpensioen is een pensioen voor de achterblijvende partner. Dit pensioen wordt uitgekeerd vanaf het moment van overlijden van de partner tot aan het moment van het overlijden van de andere partner, het wordt ook wel nabestaandenpensioen genoemd. Bij overlijden van een van de partners krijgt de langstlevende partner rechten ten aanzien van het opgebouwde pensioen. Pensioenfondsen stellen vaak wel bepaalde voorwaarden om in aanmerking te komen voor partnerpensioen. Het is dus belangrijk om navraag te doen bij het pensioenfonds waar u bent aangesloten aan welke voorwaarden u moet voldoen om in aanmerking te komen voor partnerpensioen. Het pensioenfonds zal in ieder geval op de hoogte moeten zijn van het bestaan van uw partner. Het is dus belangrijk het samenwonen te melden bij uw pensioenfonds. Vaak dient een kopie van een samenlevingscontract te worden overlegd aan de pensioenuitvoerder om in aanmerking te komen voor partnerpensioen. Soms wordt ook een minimale duur van de samenwoning geëist.

 

Aanvullende regelingen

Omdat een samenlevingscontract afspraken bevat tussen de partners onderling, is het ook mogelijk andere afspraken te maken in het kader van het samenleven.

Hieronder worden een paar voorbeelden genoemd en nader uitgewerkt.

 

1. Periodieke verrekening van inkomsten

Partners die ongehuwd samenwonen hebben geen gemeenschappelijk inkomen. Het inkomen van ieder van de partners wordt allereerst aangewend voor de huishoudkosten en wat daarna resteert is voor ieder privé. Vaak wordt dit niet als wenselijk ervaren, met name in de situatie dat een van de partners parttime werkt en tevens een gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich neemt.

Het is dan ook mogelijk afspraken te maken dat het inkomen uit arbeid van beide partners na aftrek van de kosten van de huishouding bij helfte tussen de partners wordt gedeeld. Deze verdeling gebeurt gewoonlijk jaarlijks.

Een dergelijke afspraak wordt ook vaak gemaakt in huwelijkse voorwaarden.

Wel is dan van belang dat er ook daadwerkelijk uitvoering aan deze afspraak wordt gegeven. Gebeurt dit niet dan kunnen er bij het einde van de relatie problemen ontstaan welk bedrag nog moet worden verrekend. Vaak wordt dan ook een vervaldatum opgenomen waarna niet meer verrekend kan worden.

Een goede administratie is dan ook onontbeerlijk.

2. Eindafrekening bij het einde van de samenwoning

Omdat een periodieke verrekening van inkomsten enige discipline vergt van de beide partners, kan het wenselijk zijn, in aanvulling op een periodiek verrekenbeding ook een eindafrekening op te nemen. Indien er dan tussen de partners geschil ontstaat met betrekking tot de uitvoering van het periodiek verrekenbeding bij het einde van de relatie kan teruggegrepen worden op de eindafrekening, waarin afspraken worden gemaakt welk bedrag wordt aangemerkt als inkomen dat alsnog gedeeld moet worden, indien dit niet jaarlijks is gebeurd.

3. Eindafrekening met betrekking tot de woning

Indien de woning eigendom is van een van de partners en de andere partner eigen vermogen in deze woning heeft geïnvesteerd of gaat investeren bestaat vaak de wens tussen partijen om afspraken te maken dat de waardestijging, waardedaling van de woning vanaf een bepaald bedrag of vanaf een bepaalde waarde tussen partijen wordt gedeeld bij het einde van de samenwoning. Dit heeft dan weliswaar niet tot gevolg dat de partner niet eigenaar van de woning alsnog de eigendom van de woning verkrijgt bij het einde van de samenwoning, maar wel dat er een compensatie wordt gegeven voor het door hem/haar geïnvesteerde bedrag in de vorm van een stukje meedelen in de waardestijging van de woning.

Op grond van het feit dat het niet gebruikelijk is rente te vragen voor het geïnvesteerde bedrag, zou anders de onwenselijke situatie ontstaan dat het geïnvesteerde bedrag door geldontwaarding en renteloosheid geen opbrengst genereert, terwijl de woning door de investeringen juist wel in waarde stijgt.

Vaak wordt dit als onwenselijk ervaren.

Allerlei afspraken zijn in dit verband mogelijk. Tineke Groot notaris te Oisterwijk kan u daarbij helpen.

4. Alimentatie

Gehuwden en geregistreerd partners zijn verplicht voor elkaar te zorgen tijdens het huwelijk. Deze zorgplicht kan zich na het einde van het huwelijk vertalen in een alimentatieplicht.

Voor ongehuwd samenwonenden is er geen wettelijke alimentatieplicht. Indien de wens daartoe bij de partners aanwezig is, zal een alimentatieplicht dan ook expliciet in een samenlevingsovereenkomst moeten worden opgenomen.

Direct advies aanvragen


Verzenden
Heeft u gevonden wat u zocht?
Delen
Uw waardering

© 2016

Privacy           Algemene voorwaarden           Sitemap